Wat er gebeurde
Het Oostenrijkse technologiebedrijf Andritz liet werk uitvoeren door een Kroatische onderaannemer. Die zette 217 gedetacheerde werknemers in. Bij controles door de Oostenrijkse financiële politie in 2015 bleek dat hun loonadministratie niet volledig kon worden overgelegd. Voor 200 van hen ontbraken ook de vereiste werkvergunningen.
Oostenrijk rekende de boetes per werknemer, met een vast minimum en zonder maximum. Voor de bestuurder van de onderaannemer kwam dat uit op € 3.255.000. Vier bestuurders van Andritz kregen elk twee boetes, van € 2.604.000 en € 2.400.000: samen ruim € 5 miljoen per persoon, voor de loonpapieren en de ontbrekende vergunningen. Wie niet betaalde, riskeerde vervangende hechtenis van bijna vijf jaar per boete.
Wat het Hof zei
Op 12 september 2019 oordeelde het Hof van Justitie van de EU dat zulke boetes te ver gaan. Een vast minimum per werknemer, opgeteld zonder maximum, met 20 procent proceskosten erbovenop en vervangende hechtenis bij niet-betalen: dat is in strijd met het vrij verrichten van diensten (artikel 56 VWEU).
Het Hof oordeelde over de hoogte en de opbouw van de boetes, niet over de plicht om loonpapieren en vergunningen op orde te hebben. Die plicht bestaat nog steeds.
Wat u hiervan leert
- Zorg dat de loonadministratie op de werkplek beschikbaar is, of direct op te vragen, in de taal die het werkland eist.
- Boetes per werknemer lopen bij een grote ploeg snel op tot bedragen die een bedrijf niet overleeft.
- Ook de opdrachtgever kan worden beboet. Hier kregen de bestuurders van Andritz zelf boetes van miljoenen.